Ieder kind moet kunnen leren, zich veilig voelen en erbij horen. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar in de praktijk is het weerbarstig. Kinderen zitten thuis omdat een school niet kan bieden wat zij nodig hebben. Tegelijkertijd moeten leerkrachten een steeds bredere groep leerlingen opvangen, terwijl tijd, collega’s en specialistische hulp ontbreken.

Onze stelling is duidelijk: geen inclusie zonder ondersteuning. Inclusief onderwijs vraagt meer dan een leerling naar een andere school verplaatsen. Het vraagt om een andere inrichting van onze scholen, en die inrichting moet er zijn vóórdat scholen ermee aan de slag moeten.

Sinds 2014 geldt passend onderwijs. De beloften waren hulp in de klas, minder thuiszitters en meer maatwerk. Veel leerkrachten ervaren dat anders: meer leerlingen met een ondersteuningsbehoefte, weinig extra handen en te weinig tijd. Dat beeld is niet alleen een gevoel. Uit de evaluatie van het stelsel in 2020 bleek dat leraren nog te weinig ondersteund werden in de klas.

Ook het aantal thuiszitters neemt toe. Het aantal kinderen dat vrijgesteld is van leerplicht omdat ze psychisch of lichamelijk niet naar school kunnen, steeg van 6.022 in 2018/2019 naar 9.726 in 2023/2024 (Nederlands Jeugdinstituut). OCW in cijfers laat over de afgelopen jaren een duidelijke toename in het totaalbeeld zien. Oudervereniging Balans spreekt over minimaal 70.000 thuiszitters en 280.000 kinderen zonder volwaardig onderwijs. Een deel daarvan komt doordat er te weinig onderwijsplekken zijn voor nieuwkomers. Ook komt het steeds vaker voor dat jongeren niet op een school voor speciaal onderwijs worden ingeschreven, omdat er geen plek is. En het werkelijke aantal ligt hoger dan de officiële cijfers: Ingrado schat dat er acht keer zoveel jongeren thuiszitten als uit de leerplichttelling blijkt. De cijfers verschillen sterk per definitie: officiële leerplichttellingen registreren iets anders dan bredere schattingen van kinderen die geen volwaardig onderwijs volgen.

Wie inclusief onderwijs nu met scepsis bekijkt, heeft daar goede redenen voor.

Wij nemen die ervaring serieus. Daarom pleiten wij niet voor een invoering waarbij kinderen simpelweg naar het regulier onderwijs worden verplaatst zonder dat de ondersteuning meekomt. Tegelijk mag “wij zijn er nog niet klaar voor” geen permanent excuus worden. De benodigde ondersteuning moet stap voor stap worden opgebouwd, met duidelijke verantwoordelijkheden, middelen en termijnen.

Voor Onderwijsaffaire betekent inclusie dat kinderen zo veel mogelijk samen opgroeien en naar school gaan in hun eigen buurt. Ze krijgen onderwijs en ondersteuning die passen bij hun ontwikkeling. De stem van het kind en van de ouders telt volwaardig mee. En ze horen echt bij de school, ook als ze een deel van de dag in een kleinere groep leren.

Inclusie betekent dus niet dat ieder kind de hele dag in een reguliere klas van dertig leerlingen zit. Alleen aanwezig zijn in een lokaal is nog geen meedoen. Een kind kan in de groep zitten en toch niet tot leren komen, overprikkeld raken of zich buitengesloten voelen.

Een kleinere groep, een rustige werkplek, een gespecialiseerde leraar of een andere lesindeling kan nodig zijn. Voor sommige kinderen is een specialistische school op dit moment de plek waar zij het best tot hun recht komen.

Daar hoort ook het tempo van het kind bij. Een leerling kan zelf vaak goed vertellen wat haalbaar voelt, waar de druk te groot wordt en welke stap hij of zij wél wil proberen. Neem dat serieus bij beslissingen over leerdoelen en overgangen. Vaste leerjaren en toetsmomenten mogen niet vanzelf bepalen wanneer een kind een volgende stap moet zetten. Dat vraagt ruimte om de leerroute aan te passen, ook in het speciaal onderwijs.

  • Geen bezuiniging. Inclusie is niet goedkoper dan het huidige systeem. Wie het als bezuiniging invoert, laat het mislukken.
  • Geen afschaffing van het speciaal onderwijs. Wij willen dat speciaal onderwijs blijft bestaan voor kinderen die daar het best tot hun recht komen.
  • Geen verantwoordelijkheid die alleen bij de leerkracht ligt. Schoolbestuur, samenwerkingsverband, gemeente en zorgpartijen delen de verantwoordelijkheid.
  • Geen invoering zonder randvoorwaarden. Inclusief onderwijs mag niet worden afgewenteld op een individuele school of leerkracht. De benodigde mensen, expertise, ruimte en financiering moeten vooraf worden georganiseerd. Ontbreekt die ondersteuning, dan is dat geen reden om een kind af te wijzen, maar een opdracht aan schoolbestuur, samenwerkingsverband, gemeente en zorgpartijen om die ondersteuning te regelen.

Stel je een buurtschool voor waar kinderen elkaar ontmoeten op het schoolplein, tijdens activiteiten en waar mogelijk in de les. Binnen zo’n school bestaan verschillende leervormen naast elkaar:

  • Reguliere groep: onderwijs met ruimte voor verschillen in tempo en leerstijl.
  • Co-teaching en extra begeleiding: een gespecialiseerde leraar ondersteunt in de klas.
  • Schakel- of peergroepen: voor bepaalde vakken of dagdelen les in een kleinere, rustigere omgeving.
  • Geïntegreerde zorg: hulpmiddelen, toegankelijke ruimtes en zorgverleners die direct op de vloer beschikbaar zijn.
  • Specialistische voorzieningen binnen de school: een gespecialiseerde klas die nauw verbonden is met de rest van de school.
  • Leerling A werkt ’s ochtends in een kleine groep aan lezen en rekenen. ’s Middags sluit hij aan bij leeftijdsgenoten voor gym, lunch of projectonderwijs.
  • Leerling B volgt de lessen in de reguliere groep, met hulp van een extra leraar of onderwijsassistent.
  • Leerling C start de dag in een rustige kleine groep en sluit na de eerste pauze aan bij de eigen klas voor wereldoriëntatie en creatieve vakken.
  • Leerling D volgt rekenen en taal in een kleinere instructiegroep, maar doet gym, muziek, lunch en projecten mee met de reguliere klas.
  • Leerling E heeft een verkorte schooldag en gaat drie middagen per week eerder naar huis om overbelasting te voorkomen. De gemiste lesstof wordt aangepast aangeboden.
  • Leerling F heeft na ieder intensief lesblok een vast rustmoment in een prikkelarme ruimte en keert daarna terug naar de groep.

Dit werkt alleen als vooraf duidelijk is wie wat doet wanneer het in de klas druk wordt of een leerling extra hulp nodig heeft:

  1. Directe ondersteuning: wie helpt de leerkracht als een leerling vastloopt?
  2. Capaciteit: welke ruimtes en professionals zijn direct inzetbaar?
  3. Zorgcoördinatie: wie regelt en coördineert de zorg?
  4. Evaluatie: wanneer kijken kind, ouders en school samen naar de voortgang?
  5. Bijsturing: wat gebeurt er morgen als de aanpak vandaag niet werkt?

Ouders van kinderen zonder ondersteuningsbehoefte vragen zich (terecht) af wat inclusie voor hun kind betekent. Ons uitgangspunt: inclusie mag niet ten koste gaan van het onderwijs aan de rest van de klas. Dat is de reden voor kleinere groepen, extra handen in de klas en directe hulp bij escalaties. Goed georganiseerd kan inclusie ook voordelen bieden voor de hele groep, bijvoorbeeld doordat er meer aandacht ontstaat voor verschillen en differentiatie. Dat werkt alleen als de basis op orde is.

Geen enkel land heeft een kant-en-klare oplossing voor de specifieke uitdagingen waar Nederland voor staat. De buitenlandse onderwijssystemen zijn diep geworteld in hun eigen historische, culturele en politieke context, en dat maakt het simpelweg overnemen van hun aanpak onrealistisch en vaak niet passend.

Finland: ondersteuning in lagen. Sinds 1 augustus 2025 staat in Finland ondersteuning voor de hele groep voorop, zoals extra co-teaching en lessen van een speciaal onderwijsleraar in de klas. Daarnaast is er ondersteuning voor individuele leerlingen. Let op: Finland heeft een sterke lerarenopleiding en het beroep heeft er veel aanzien. Dat is een belangrijke voorwaarde voor het succes. (Bron: Stad Helsinki, 2025)

Italië: kleinere klassen en vaste ondersteuning. Leerlingen met een beperking gaan naar reguliere klassen, want er zijn wettelijk geen speciale scholen of klassen. De ondersteuningsleraar hoort bij het team en doet mee aan de planning en beoordeling. Klassen met leerlingen met een beperking hebben doorgaans maximaal 20 leerlingen. Let op: Italië schafte de speciale klassen al in 1977 af. Een systeem dat zo lang gegroeid is, laat zich niet zomaar overzetten. (Bron: European Agency for Special Needs and Inclusive Education, Italië)

Portugal: multidisciplinaire hubs. Portugese scholen werken met een multidisciplinair ondersteuningsteam en een eigen centrum voor ondersteuning bij leren. (Bron: Decreto-Lei 54/2018, geconsolideerde tekst)

Wat we hieruit meenemen: vaste ondersteuning in de klas, kleinere groepen en expertise dichtbij. Wat Nederland eerst nodig heeft, is genoeg gekwalificeerde mensen en een structurele financiering.

Ook in Nederland gebeurt het al:

  • De Imenhof (Losser) heeft een Samen naar School-klas binnen de basisschool. Kinderen krijgen daar onderwijs op maat, en volgen waar mogelijk lessen of activiteiten in de reguliere klassen, bijvoorbeeld gym of een spellingles. (Bron: Steunpunt Passend Onderwijs, Nationale Onderwijsgids)
  • De Kameleon (‘s-Gravenzande) biedt kinderen met een (ernstige) meervoudige beperking onderwijs in een aangepast lokaal binnen een reguliere basisschool. Ze bezoeken samen met een begeleider reguliere klassen, en andersom zijn kinderen uit de school welkom in de Samen naar School-klas. (Bron: Steunpunt Passend Onderwijs, De Kameleon)
  • Eduwiek (Hoogeveen) brengt sinds 2017 regulier en gespecialiseerd voortgezet onderwijs samen in één gebouw. Een centraal expertisecentrum ondersteunt docenten en leerlingen. (Bron: Rijksoverheid)

Wat zegt de Inspectie? De Inspectie van het Onderwijs ziet bij samenwerking tussen regulier en speciaal onderwijs over het algemeen tevreden leerlingen en professionals. Het succes hangt af van goede randvoorwaarden: geschikte huisvesting, voldoende kennis en vaardigheden van leraren, beschikbaar personeel en voldoende structurele financiële middelen.

(Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2025, volledig rapport)

Inclusief onderwijs gaat niet alleen over wat een school kan organiseren. Het gaat ook over wat kinderen ervaren, wat ouders zien en wat leerkrachten nodig hebben om goed onderwijs te kunnen geven. Juist door die perspectieven naast elkaar te zetten, wordt duidelijk waar inclusief onderwijs kan werken, en waar het vastloopt.

“Ik zou er zo graag gewoon bij horen. Nu hoor ik er niet echt bij.”

Lucas, 12 jaar, leerling met ondersteuningsbehoefte
Bron: Nederlands Jeugdinstituut

Lucas volgt vanwege zijn behoefte aan rust grotendeels onderwijs buiten de reguliere klas. Die ondersteuning helpt hem om te leren, maar zijn verhaal laat ook zien dat ondersteuning en erbij horen niet automatisch hetzelfde zijn.

“Dan voel je je pas echt gehoord!”

Nils Aukema, leerling
Bron: Nederlands Jeugdinstituut

Nils liep eerder vast in het onderwijs. Op zijn nieuwe school werd niet alleen gekeken naar het rooster of de regels, maar naar wat hij op dat moment nodig had. Voor hem maakte die ruimte voor maatwerk het verschil.

“Ik wil niet dat Sem naar school gaat, ik wil dat hij onderwijs krijgt.”

Lonneke, moeder van Sem
Bron: Nederlands Jeugdinstituut

Sem heeft een lichamelijke beperking en had onderwijs nodig dat zich kon aanpassen aan zijn belastbaarheid. Zijn moeder beschrijft hoe moeilijk het was om onderwijs, zorg en maatwerk bij elkaar te brengen. Op het mbo kreeg hij uiteindelijk meer ruimte om onderwijs te volgen op een manier die bij hem paste.

“Ik zou het niet aankunnen zonder de ondersteuning van deze docent én de zorgstructuur op school.”

Gideon van Luyn, docent geschiedenis en mentor, Spinoza Lyceum
Bron: Steunpunt Passend Onderwijs

Voor Gideon van Luyn maakt ondersteuning vanuit het gespecialiseerd onderwijs het mogelijk om een leerling vanuit het vso binnen het reguliere onderwijs te begeleiden. Tegelijk benoemt hij extra werkdruk en het belang van voldoende middelen.

“Als je ziet dat onze leerlingen binnen het reguliere vmbo opbloeien, dan geeft mij dat weer energie om mijn werk nog beter te doen.”

Coen Braakhekke, docent en samenwerkingscoördinator, Kentalis College Arnhem
Bron: Steunpunt Passend Onderwijs

Bij Kentalis en Leerpark Arnhem werken regulier en gespecialiseerd onderwijs samen. Braakhekke ziet leerlingen daarvan profiteren, maar wijst er ook op dat grotere groepen en een drukker schoolklimaat voor sommige leerlingen lastig kunnen zijn en extra begeleiding vragen.

Deze ervaringen laten zien dat inclusief onderwijs niet draait om één belang. Een kind moet kunnen leren én erbij horen. Ouders moeten serieus worden betrokken bij wat hun kind nodig heeft. Leerkrachten moeten het onderwijs kunnen geven zonder overvraagd te raken. Dat lukt alleen als ondersteuning, expertise en ruimte voor maatwerk daadwerkelijk beschikbaar zijn.

Nederland heeft het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap in 2016 geratificeerd. Artikel 24 verplicht staten om toe te werken naar een inclusief onderwijssysteem op alle niveaus en om uitsluiting op grond van handicap tegen te gaan. Het verdrag staat toe dat dit geleidelijk wordt verwezenlijkt. Het hoeft niet van de ene op de andere dag (bron: College voor de Rechten van de Mens). De Inspectie noemt als ambitie landelijk inclusief onderwijs in 2035.

Wij staan achter het recht op inclusief onderwijs. Tegelijk zien wij dat een recht op papier niets betekent als de school het in de praktijk niet kan waarmaken. Daarom willen wij inclusie stap voor stap invoeren, met de ondersteuning als voorwaarde. Voor kinderen die nu thuiszitten of vastlopen is snelheid belangrijk, maar het moet wel goed gebeuren.

Voor ons is inclusie geen doel op zichzelf en ook geen kwestie van zoveel mogelijk kinderen in het regulier onderwijs plaatsen. Het doel is goed onderwijs, erbij horen en daadwerkelijk kunnen leren. Als dat voor een kind beter lukt in een gespecialiseerde setting, moet die mogelijkheid blijven bestaan. En als een reguliere school de benodigde ondersteuning niet kan bieden, mag van die school niet worden verwacht dat zij inclusie op papier waarmaakt ten koste van kinderen en leerkrachten.

Om inclusie haalbaar te maken vragen wij van beleidsmakers en schoolbesturen:

  • Kleinere groepen: verlaag de groepsgrootte wanneer de ondersteuningsbehoefte van de groep daarom vraagt.
  • Extra handen: regel structureel extra professionele ondersteuning in en rond de klas.
  • Directe hulp: iedere school heeft een duidelijke afspraak over wie direct beschikbaar is wanneer een situatie escaleert.
  • Overlegtijd: reserveer betaalde werktijd voor afstemming met ouders, zorgprofessionals en collega’s.
  • Financiering volgt de ondersteuningsbehoefte: zorg dat geld voor ondersteuning tijdig beschikbaar is op de plek waar het kind onderwijs krijgt.
  • Duidelijke verantwoordelijkheid: als ondersteuning ontbreekt, moet vaststaan wie die regelt en binnen welke termijn.
  • Gefaseerde invoering met opbouwplicht: breid inclusief onderwijs uit zodra de randvoorwaarden aantoonbaar zijn geregeld. Waar die nog ontbreken, moet een concreet plan komen om die ondersteuning op te bouwen.
  • Flexibele leerdoelen en leerroutes: maak ruimte om doelen, tempo en beoordeling aan te passen wanneer de standaardroute een belemmering vormt voor deelname en ontwikkeling.
  1. Luister naar kind en ouders. Begin bij wat de leerling nodig heeft en meemaakt, en betrek de leerkracht die dagelijks voor de klas staat.
  2. Bied hulp in de klas, op het moment zelf. Advies op papier helpt niet als een leerkracht er tijdens een escalatie alleen voor staat.
  3. Maak flexibele leerroutes mogelijk. Zorg voor kleine groepen dicht bij de buurtschool en behoud specialistisch onderwijs waar dat nodig is.
  4. Regel menskracht en financiering vooraf. Voorkom dat onderwijs, jeugdhulp en zorg pas bij problemen gaan steggelen over wie betaalt.
  5. Evalueer op welzijn én voortgang. Kijk steeds of de aanpak werkt en stuur direct bij als een kind uitvalt of een leerkracht overvraagd raakt.

Is dit haalbaar met het lerarentekort?
Niet overal en niet meteen. Daarom pleiten wij voor gefaseerde invoering: alleen uitbreiden waar de ondersteuning aantoonbaar rond is. Inclusie invoeren zonder mensen om het te doen, laat het mislukken.

Wat betekent dit voor mijn klas?
Het uitgangspunt moet zijn dat u er niet alleen voor staat. Bij een leerling met een ondersteuningsbehoefte hoort extra hulp in de klas, een kleinere groep en een duidelijke afspraak wie u helpt bij een escalatie.

Verdwijnt het speciaal onderwijs?
Nee. Voor sommige kinderen is een gespecialiseerde school de beste plek. Wij willen dat die mogelijkheid blijft bestaan.

Is inclusie een bezuiniging?
Nee. Goed georganiseerde inclusie vraagt om investeringen in mensen, ruimte en scholing. Als het als bezuiniging wordt ingezet, steunen wij het niet.

Wat betekent het voor kinderen zonder ondersteuningsbehoefte?
Hun onderwijs mag er niet onder lijden. Dat is een randvoorwaarde, en tegelijk een reden voor kleinere groepen en meer handen in de klas.

Stuur niet op streefcijfers over hoeveel kinderen in een regulier gebouw zitten. Stuur op kwaliteit, welzijn en haalbaarheid.

Wij vragen beleidsmakers en bestuurders om verantwoording af te leggen over:

  • hoeveel kinderen onderwijs krijgen dat écht werkt;
  • hoeveel thuiszitters duurzaam zijn teruggekeerd naar school;
  • of leerkrachten voldoende en tijdig ondersteuning op de werkvloer ervaren;
  • of de ondersteuning aantoonbaar geregeld is voordat een school inclusiever gaat werken.